De nieuwe Nederlandse regelgeving om bijensterfte tegen te gaan, gaat niet ver genoeg, vindt hoogleraar Jeroen van der Sluijs. Er kan beter geïnvesteerd worden in een bijvriendelijke maisteelt, in plaats van een symbolische investering door het ombouwen van maiszaaimachines.
Het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB) eist dat duizend maiszaaimachines worden omgebouwd. Dat moet voorkomen dat giftige stofdeeltjes verwaaien en naastgelegen bloeiende planten besmetten. In het buitenland zijn grote incidenten aangetoond waarbij tienduizenden bijenvolken omkwamen door verwaaide gifstof tijdens het pneumatisch zaaien van gecoate maiszaden. In Italië en Slovenië leidde dit tot een moratorium op zaadbehandeling met neonicotinoïden. In Nederland, waar kortetermijn-landbouwbelangen zwaar wegen, zetten we aan het eind van de pijp een deflector.
Dit herinnert aan de vroegere oplossing voor luchtvervuiling: we maakten de schoorstenen hoger. Niet alleen de vele wetenschappelijke studies over de hoofdrol van neonicotinoïden bij de dramatische terugloop van bestuivende insecten, ook de wet van behoud van ellende blijkt bij het CTGB niet doorgedrongen.
Wereldwijd is er al enkele decennia een sterke terugloop waargenomen in bestuivende insecten. Bestuivende insecten zijn cruciaal voor 35 procent van de wereldproductie van landbouwgewassen. Circa 80 procent van alle planten op aarde is kritisch afhankelijk van bestuivende insecten voor voortplanting en evolutie. De honingbij is de best bestudeerde bestuiver.
Bijenvolksterfte kent een complex samenspel van deeloorzaken. In de literatuur zijn meer dan veertig verschillende oorzaken beschreven. Tijdens het wereldbijencongres, afgelopen september in Montpellier, wezen wetenschappers drie daarvan aan als hoofdoorzaken: langdurige blootstelling aan neonicotinoïde insecticiden, bijenziekten overgedragen door de beruchte varoamijt, en afnemend stuifmeelaanbod door monoculturen.
In Nederland is de bijenvolksterfte in zes jaar verdubbeld tot 21 procent. De natuurlijke volksterfte is circa 8 procent per jaar.
Het meest gebruikte neonicotinoïde is imidacloprid, de werkzame stof van gewasbeschermingsmiddelen zoals Gaucho, Admire, Imex en Provado. Zaden worden daarmee gecoat. Bij ontkiemen neemt de plant het middel op in de sapstroom en wordt van binnen uit giftig voor insecten. De plant ondervindt dan geen schade meer van maiswortelkever, bladluis en witte vlieg.
Het gif komt echter ook in nectar en stuifmeel. Stuifmeel, ook van mais, wordt door bijen verzameld om larven mee te voeden. Imidacloprid is een uiterst krachtig zenuwgif. Er wordt wel minder per hectare van gebruikt dan oude middelen zoals DDT, maar de giftigheid voor insecten per hectare is toegenomen. Voor honingbijen is imidacloprid 7.297 keer zo giftig als DDT.
Recent onderzoek toont aan dat neonicotinoïden bijenvolken aanmerkelijk vatbaarder maken voor virusinfecties en darmschimmel. Voor mensen zijn lage concentraties onschadelijk, al speculeren onderzoekers over een verband met Parkinson en Alzheimer bij langdurige blootstelling.
Neonicotinoïden hebben een systeemverandering veroorzaakt in de wijze waarop mais verbouwd wordt. Vroeger werd de maiswortelkever kort gehouden door rotatieteelt. Met neonicotinoïden is permanente verbouw van mais mogelijk geworden. Mais wordt vaak gepromoot als schone grondstof voor biomassa-energie en composteerbaar bioplastic. Hierdoor zal de vraag naar grootschalige maisverbouw sterk blijven groeien.
In plaats van een symbolische investering in deze niet duurzame productiewijze, kan beter geïnvesteerd worden in een bijvriendelijke maisteelt. Wellicht is rotatieteelt mogelijk waarbij wordt afgewisseld met een ander aantrekkelijk gewas voor biopolymeren en biobrandstof, al zijn meerjarige gewassen uit duurzaamheidsoogpunt een betere keus. Wellicht kan mais worden veredeld naar eiwitrijker stuifmeel dat gezonder is voor bijen. Wat nodig is, is duurzame systeeminnovatie en een Nederlands moratorium op neonicotinoïden.
| < Vorige | Volgende > |
|---|


