Home

Kanttekeningen bij Statement Wageningen UR over pesticiden en de Nederlandse bijenhouderij

Op 13 maart 2011 bracht Wageningen University & Research centre een statement uit naar aanleiding van de Zembla uitzending van 12 maart j.l. "de moord op de honingbij”. De Bijenstichting vroeg een reactie aan Dr. Jeroen van der Sluijs, senior onderzoeker en docent nieuwe risico's aan de Universiteit Utrecht. Van der Sluijs is 20 jaar werkzaam als universitair onderzoeker en publiceerde meer dan vijftig studies in collegiaal getoetste wetenschappelijke tijdschriften en meer dan 25 hoofdstukken in wetenschappelijke boeken over (nieuwe) milieu- en gezondheidsrisico's. Vier van zijn wetenschappelijke artikelen gaan over de relatie tussen systemische pesticiden en bijensterfte. Ook was hij promotor van een Frans proefschrift over dit onderwerp. Hieronder in grijs de citaten uit de originele tekst van het statement van WUR, aangevuld met kanttekeningen van Dr. van der Sluijs.


Kanttekeningen bij het statement van WUR door Dr. Jeroen P. van der Sluijs, Universiteit Utrecht & Université de Versailles Saint-Quentin-en-Yvelines, op verzoek van de Bijenstichting.

Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien. http://www.jvds.nl

Het gaat niet goed met de honingbij. Niet alleen in Nederland, maar op tal van plaatsen van de wereld is dat reden tot zorg. Er zijn altijd volken die de winter niet doorkomen, dat kon wel oplopen tot 10 procent van het totale aantal. De uitval loopt nu op tot soms wel 30 procent en de oorzaken daarvan zijn niet bekend.

Veel oorzaken van bijensterfte en afnemende vitaliteit van bijenvolken zijn juist goed bekend. Voor een aantal daarvan weten we ook hoe we die oorzaken nu al aan kunnen pakken.
Honderden bijenwetenschappers bijeen op het Apimondia 2009 Wereld Bijen Congres concludeerden dat er sprake is van een samenspel van oorzaken:

  • varroa,
  • langdurige blootstelling aan insecticiden, met name neonicotine insecticiden en fipronil,
  • nosema ceranae (een parasitaire darmschimmel bij bijen),
  • monoculturen (te eenzijdig stuifmeelaanbod),
  • afnemende biodiversiteit (te weinig drachtplanten/wilde bloemen voor de bijen),
  • imkerpraktijken,
  • de wereldmarkt van bijenkoninginnen (waardoor genen van bijen die niet aan lokale - omstandigheden zijn aangepast worden geïntroduceerd) en de versmallende genetische basis,
  • watergebrek (voor bijen in het Midden Oosten),
  • virussen,

Ze noemen expliciet de neonicotine insecticiden als een belangrijke oorzaak (http://www.bijensterfte.nl/nl/node/145)
De conclusie van het UNEP 2011 rapport "global honey bee colony disorders and other threats to insect pollinators" concludeert eveneens dat het een opeenstapeling is van bekende oorzaken die elkaar versterken, ook zij noemen neonicotine insecticiden een belangrijke factor (http://www.bijensterfte.nl/nl/node/451)
De conclusie van het US Department Of Agriculture 2010 "Colony Collapse Disorder Progress Report" is in grote lijnen dezelfde: het is een samenspel van oorzaken die allemaal aangepakt moeten worden. Neonicotine insecticiden vergroten de vatbaarheid voor nosema infecties zo blijkt uit het onderzoek (http://www.ars.usda.gov/is/br/ccd/ccdprogressreport2010.pdf)
Het Nederlands Centrum voor Bijenonderzoek ontdekte recent dat een deel van de sterfte in de winter 2009-2010 veroorzaakt werd door ondeugdelijk gefabriceerde suikerstroop, dus ook die oorzaak is goed bekend (http://www.bijenonderzoek.nl/%28S%28njwdfl45vzstfx55hyu45t55%29%29/pdf/Bijensterfte%202009-10%20en%20toxische%20invertsuikersiroop.pdf)

 


Bijen spelen een belangrijke rol in natuurlijke en agrarische ecosystemen en leveren bovendien mooie producten zoals honing en bijenwas. Dat is samen is dus voldoende reden om goed na te gaan wat de oorzaak is van de toegenomen uitval.

We moeten hier waken voor de beruchte valkuil van "paralysis by analysis". Onzekerheid in de wetenschap wordt dan gebruikt om maatregelen uit te stellen, terwijl er al lang sterke aanwijzingen zijn dat ingrijpen nodig is. De schadelijkheid van asbest was in de jaren 30 al aangetoond maar pas eind jaren 90 is het van de markt gehaald. Zestig verloren jaren van onnodige grote gezondheidsschade. (http://www.eea.europa.eu/publications/environmental_issue_report_2001_22/issue-22-part-05.pdf)
Vanuit het voorzorgprincipe geredeneerd is er al meer dan voldoende reden om nu al maatregelen te nemen om bijenvolken te beschermen tegen alle factoren waarvan bekend is dat die bijdragen aan de verhoogde sterfte en verlaagde vitaliteit.

  • De afname van drachtplanten voor bijen moet worden aangepakt door beter groenbeheer, beter maaibeleid van bermen en meer ruimte voor wilde bloemen en najaarsbloeiers en versterking van de Ecologische Hoofdstructuur.
  • Het overmatig gebruik van imidacloprid en thiamethoxam en het opkomend gebruik van fipronil en clothianidine tasten de vitaliteit van bijenvolken aan en kunnen en moeten snel worden aangepakt.
  • De vergrijzing van de imkerij moet worden tegengegaan.
  • De imkerpraktijk kan verder verbeterd, er zou weer een echte imkeropleiding moeten komen.
  • Meer nestgelegenheid creëren voor wilde bijen.
  • Er zouden in Europa en in Nederland pesticide vrije zones ingesteld moeten worden, waar met uitsterven bedreigde bijensoorten kunnen overleven.
  • Creëren van een betere kennisinfrastructuur op het gebied van bestuivende insecten en hun bedreigingen.

Wereldwijd vindt dit onderzoek plaats en ook Plant Research International, onderdeel van Wageningen UR (University & Research centre) draagt haar steentje bij. Bijen leven niet in geïsoleerde strak gereguleerde omstandigheden, maar vliegen rond in de vrije natuur. Ze komen dus met met tal van factoren in aanraking. Het landschap verandert, de bloeigewassen veranderen en de diversiteit van voedsel voor de bij neemt af, de meteorlogische omstandigheden veranderen, er zijn pesticiden in omloop, de genetische basis van de bij als soort is steeds smaller geworden en er zijn - deels nieuwe en veranderende - parasieten virussen, schimmels, bacterien, zoals recent de nieuwe parasiet Nosema. Al die veranderende omstandigheden staan niet op zich, maar ze beïnvloeden elkaar. Zo heeft de introductie van de Varoamijt, een parasiet die hele bijenvolken kan uitmoorden, een zeer grote invloed op de bijenhouderij,

Mee eens.
Wageningen doet goed en belangrijk onderzoek naar de rol van varroa en de bestrijding daarvan.


want niet alleen doodt de mijt de gastheer, maar hij verzwakt de bijen ook, zodat ze vatbaarder zijn voor andere veranderingen.

WUR draait de wereld hier een beetje om met een retorische truc. Het zijn juist de insecticiden die de bijen verzwakken, waarna ziekten toeslaan. Drie wetenschappelijke onderzoeken (namelijk dat van Cummins (2007: http://www.i-sis.org.uk/Parasiticfungi.php ) Aleaux (2010 http://www3.interscience.wiley.com/journal/123226660/abstract) en Pettis (2010 http://www.ars.usda.gov/is/br/ccd/ccdprogressreport2010.pdf)) hebben onafhankelijk van elkaar aangetoond dat blootstelling aan zeer lage dosis imidacloprid de bijenvolken vatbaarder maakt voor Nosema Infecties. Chagnon (2009 http://www.bijensterfte.nl/sites/default/files/Chagnon_apimondia.pdf) toonde dit aan voor blootstelling aan Clothianidine en vatbaarheid voor Chronic Bee Paralysis Virus.

Het is veelvuldig waargenomen dat het poetsgedrag van bijen verstoord wordt door neurotoxische insecticiden zoals imidacloprid, fipronil, clothianidine en thiamethoxam. Dat verstoorde poetsgedrag geeft de varroamijt meer kans om op de bijen te parasiteren. Het evenwicht tussen gastheer en parasiet wordt verstoord ten gunste van de parasiet. (http://www.buzzaboutbees.net/varroa-mite.html)

Varroa is al 35 jaar in Nederland maar pas de laatste jaren leidt het tot zeer hoge volksterfte. Deze toename valt in de tijd samen met de zeer sterke opkomst van de toelating en het gebruik van imidacloprid, thiamethoxam, clothianidine, en fipronil in Nederland. Sinds 2004 zijn er extreme normoverschrijdingen van imidacloprid in oppervlaktewater, wat aangeeft dat er erg veel van deze stof in het Nederlandse milieu is.


Wageningen focust zich in haar onderzoek met name op de varoamijt, omdat dit een factor is die er in de wetenschappelijk literatuur uitspringt en omdat de EU een groot project financiert met een bijdrage van de Nederlandse overheid, waarin Wageningen UR participeert.

Wageningen heeft inderdaad belangrijk en toonaangevend onderzoek op haar naam naar de varroamijt en naar bestrijding daarvan. Dat is uiterst nuttig onderzoek dat de bijenhouderij ten goede komt.


In de uitzending van Zembla van 12 maart j.l. wordt ook door de Franse chemicus prof. Bonmatin gewezen op de complexiteit en de interactie tussen verschillende oorzaken. Desondanks spitst de uitzending zich toe op een factor: een gewasbeschermingsmiddel van een chemische firma.

In de uitzending van Zembla is juist gewezen op de veelheid van elkaar versterkende oorzaken.

Terecht heeft Zembla de uitzending vervolgens toegespitst op een factor waar beleidsmatig ingrijpen zeer goed mogelijk is en op grond van de stand van kennis ook gerechtvaardigd is, maar waar dat al jaren lang achterwege blijft vanwege kortzichtige economische belangen en een ongezond grote invloed van de industrie op de risicobeoordeling.


Het gaat hier om een middel dat in Europa is toegelaten na een meerjarig en zeer intensief onderzoek binnen de Europese Unie en volgens de strenge richtlijnen van de Europese Unie.

De richtlijnen lopen 15 jaar achter op de feiten, zo erkent zelfs de toelatingsinstantie Ctgb. De toelatingstests zijn ontwikkeld voor de oude contactinsecticiden en zijn totaal niet toegerust op de werking van de systemische neonicotine insecticiden.

Tekortkomingen zijn met name het achterweg blijven van toetsing op chronische toxiciteit, de lange termijneffecten, de wederzijds versterkende werking (synergie) met andere bedreigingen voor de bij zoals nosema, virussen en varroa en de subletale effecten en het ten onrechte verwaarlozen van blootstellingroutes waarover weinig gegevens zijn (zoals de route via vervuild oppervlaktewater en guttatie). Zie ook: http://internetconsultatie.nl/gewasbeschermingsmiddelenen_biociden/reactie/56/bestand

Tal van wetenschappelijke studies hebben de negatieve subletale en chronische effecten aangetoond maar deze informatie wordt bij de toelatingsbesluiten genegeerd, omdat het vigerende wettelijk toetsingkader deze informatie formeel niet vereist.

Het huidige toetsingskader stelt het volgende:

(Uit Bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen)

"Deze evaluatie dient te omvatten:

i) de berekening van de verhouding tussen de maximaal toe te passen dosis, in gram, van de werkzame stof per hectare en de contact- en orale LD50 in μg werkzame stof per honingbij (gevaarscoëfficiënten) en, waar nodig, een evaluatie van de persistentie van residuen op of, waar dit van toepassing is, in de behandelde planten;" (Bron: bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG 2.5.2.3 b.)

In het Ctgb toetsingskader "Handleiding voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen Gewasbeschermingsmiddel Hoofdstuk 7 ecotoxicologie; terrestrisch versie 1.0; 14 april 2006" is dit EU beleid als volgt uitgewerkt:

"2.5.2.3. Indien de mogelijkheid bestaat dat honingbijen zullen worden blootgesteld, wordt geen toelating verleend indien het gevaarquotiënt voor orale en contactblootstelling van honingbijen groter is dan 50, tenzij door een adequate risico-evaluatie duidelijk is aangetoond dat er, onder veldomstandigheden, na toepassing van het gewasbeschermingsmiddel volgens de voorgestelde gebruiksaanwijzing, geen onaanvaardbare effecten zijn op de larven en het gedrag van de honingbij, de overlevingskans van de kolonie en de ontwikkeling hiervan." (Bron: Ctgb Toetsingskader blz 55)

Als je dit uitrekent voor de Nederlandse toelatingen (http://www.bijensterfte.nl/sites/default/files/Toegestane_hoeveelheden_Neonicotinen_NL.pdf) dan blijkt dat de gevaarscoëfficiënt voor bijen heel ver boven de aanvaardbare grenswaarde van 50 uitkomt. Voor merit turf is het bijvoorbeeld 150 gram werkzame stof per ha en een mediane letale dosis van 0,0037 μg/bij geeft een gevaarscoëfficiënt van 150 / 0,0037 = 40540
Dus ruim 800x te hoog, heel erg veel hoger dan de limiet van 50.

Het toetsingskader zegt vervolgens dat als je met veldproeven kan laten zien dat het effect in de praktijk meevalt, dat het dan toch mag, ook al is de stof op basis van laboratorium onderzoek (mediane letale dosis) achthonderd keer gevaarlijker voor bijen dan we aanvaardbaar vinden. Die veldproeven zijn gedaan en lieten geen grote effecten zien ten opzichte van een controle groep. De veldproeven zijn echter zeer omstreden, omdat ze te klein van opzet zijn, een te korte opvolgtijd hebben en verkeerd zijn opgezet.

In 2000 verscheen het rapport van de Gezondheidsraad "Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen". Dat rapport wijst erop dat het doen van veldproeven met het oogmerk om de afwezigheid aan te tonen van mogelijke effecten, hoge eisen stelt aan de kwaliteit van het onderzoek, vooral met betrekking tot het onderscheidingsvermogen van de proef (de statistical power). Dit moet groot genoeg zijn om ecologisch relevant geachte veranderingen met voldoende zekerheid te kunnen detecteren. Dan pas betekent de afwezigheid van een statistisch significant effect dat zich, met grote waarschijnlijkheid, geen ecologisch relevant effect heeft voorgedaan (http://www.gezondheidsraad.nl/nl/adviezen/veldonderzoek-voor-de-toelating-van-gewasbeschermingsmiddelen)

Recent is aangetoond dat de meeste veldproeven waarop de toelating is gebaseerd niet het vereiste onderscheidingsvermogen hadden. De studie van Cresswell (2010 http://dx.doi.org/10.1007/s10646-010-0566-0) toont aan dat "Statistical power analysis showed that published field trials that have reported no effects on honey bees from neonicotinoids were incapable of detecting these predicted sublethal effects with conventionally accepted levels of certainty". Anders gezegd, geen van de veldproeven (waarop alle toelatingen, ook die in de EU en de VS, zijn gebaseerd) was statistisch gezien voldoende krachtig om aan te tonen dat neonicotinen geen nadelige effecten hebben op bijen. Toch zijn deze studies daarvoor gebruikt!

In zijn meta-analyse, waarin hij gegevens van 14 eerdere veldproeven combineert, toont Cresswell vervolgens aan dat imidacloprid bij het toegelaten gebruik niet veilig is voor bijen, maar ook dat de bijenvolken er grote schade van ondervinden.

Verschillende EU landen zoals Italie (http://www.bijensterfte.nl/nl/node/216), Slovenie, Frankrijk en Duitsland hebben deze middelen voor een groot aantal toepassingen verboden vanwege aangetoonde negatieve invloed op bijen en andere bestuivende insecten. In Nederland zijn al deze toepassingen wel toegelaten.


Sommige onderzoekers stellen dat het gewasbeschermingsmiddel neonicotinen ten onrechte door de toelating heen zijn gekomen, en de belangrijkste factor zijn voor de bijensterfte. Uit de tot nu toe gepubliceerde wetenschappelijke studies die juist naar dit verband hebben gekeken blijkt dit nog niet.

Wat hier gebeurt is dat WUR in haar verklaring een positie in het wetenschappelijk debat verkeerd weergeeft en vervolgens die verkeerde weergave onderuit haalt. Dat is een bekende tactiek waarvan in de wetenschappelijke literatuur over risicocontroversen goed gedocumenteerd is dat die veelvuldig door de industrie wordt gebruikt om onwelgevallig onderzoek in diskrediet te brengen. Deze tactiek staat dan ook beschreven in de typologie van misleidende tactieken in wetenschappelijk debat, samengesteld door Dr. Peter Gleick van het Integrety of Science onderzoeksprogramma in de Verenigde Staten (http://www.pacinst.org/publications/testimony/Gleick_Senate_Commerce_2-7-07.pdf (zie zijn tabel 1 "Mischaracterizations of an Argument"))

Ik ken geen enkele onderzoeker die stelt dat insecticiden de BELANGRIJKSTE factor zijn bij de verklaring van ALLE bijensterfte. Niemand in de ZEMBLA uitzending heeft dat beweerd. Dat is namelijk ook niet zo, dus daar zijn we het eens.

Wel zien veel onderzoekers de neonicotine insecticiden als een BELANGRIJKE factor die de hoge sterfte verklaart IN GEBIEDEN WAAR VEEL NEONICOTINE-INSECTICIDEN GEBRUIKT WORDEN.
Die positie wordt ondersteund door een groot aantal wetenschappelijke studies, zie bijvoorbeeld de studie van Maxim en van der Sluijs 2010 waar de onafhankelijke onderzoekers 70% van de toename in sterfte in de maïs en zonnebloemteeltgebieden in Frankrijk in de jaren 90 toeschrijven aan het toenmalig gebruik van imidacloprid die twee teelten (http://www.iop.org/EJ/article/1748-9326/5/1/014006/erl10_1_014006.pdf).

Tal van wetenschappelijks studies tonen bovendien aan dat neonicotinen negatieve gevolgen hebben voor de vitaliteit van bijenkolonies, zie bijvoorbeeld de recente meta-analyse door Cresswell (2010 http://dx.doi.org/10.1007/s10646-010-0566-0) van 14 eerdere veldproeven.


Wij hebben er recent via een student ook naar de Nederlandse situatie gekeken, met de ter beschikking staande gegevens. Via de begeleiding hebben we uiteraard ervoor gezorgd dat dit wetenschappelijk betrouwbaar is geschied, en ook uit dit onderzoek konden we geen relatie vinden.

Die betreffende studie van de HBO stagière liet evenmin de conclusie toe dat er geen verband was, omdat aan de wetenschappelijke basis-eis van "statistical power" (onderscheidend vermogen voor het aantonen dat een verondersteld effect niet bestaat) zoals uitgelegd in het eerder genoemde gezondheidsraad rapport (http://www.gezondheidsraad.nl/nl/adviezen/veldonderzoek-voor-de-toelating-van-gewasbeschermingsmiddelen) niet voldaan was. Het stagerapport is op te weinig gegevens gebaseerd om welke wetenschappelijke conclusie dan ook te trekken. De conclusies zijn statistisch niet onderscheidend en zijn daarom volledig speculatief.
De stagière heeft een ad-hoc verzameling gebruikt van gegevens van bijvoorbeeld slechts 83 imkers met gegevens voor 2009. Niet gebruikt is de meest betrouwbare gegevensset die in het kader van het internationale Coloss project is verzameld door het Nederlands Centrum voor Bijenonderzoek. Deze laatste bevat gegevens van ruim 1500 imkers die bovendien wel met een gestandaardiseerde vragenlijst zijn verzameld. Er loopt nog een onderzoek naar de mogelijke correlatie tussen imidacloprid in het milieu en bijensterfte dat die gegevens wel gebruikt.

Het rapport van de stagière heeft er verder geen rekening mee gehouden dat imidacloprid zich in verschillende bodems verschillend gedraagt. Bij zandgrond spoelt 97% uit en bij grond met veel organische stof spoelt 35% uit. In feite is de normoverschrijding oppervlaktewater een slechte maat voor hoeveel imidacloprid er ter plekke is waar de bijen mee in aanraking kunnen komen. Je moet corrigeren voor het bodemtype en dat is niet gedaan.

Verder is een onrealistische vliegafstand van 7 km aangenomen. In werkelijkheid vliegen bijen meestal hooguit 3 km. Er waren echter vrijwel geen imidacloprid meetpunten in een straal van 3 km rond elk van de 83 imkers, vandaar dat met 7 km is gerekend, ten koste van de betrouwbaarheid.

Het rapport geeft geen heldere definitie van de "factor imker", de definitie lijkt voor de verschillende jaren in de gegevensset verschillend te zijn (het ene jaar het aantal varro bestrijdingen het andere jaar of er in de winter is bestreden etc). Toch concludeert het rapport heel stellig dat het allemaal aan "de factor imker" ligt. De tekst is zeer mistig over waar dat dan uit volgt, de stagière stelt het alleen. Elke transparantie ontbreekt op dat punt en de onderliggende gegevens zijn niet beschikbaar gesteld zodat dat "imkereffect" cq "verkapte imkereffect" zich geheel onttrekt aan de mogelijkheid van collegiale toetsing. We moeten de stagière op haar woord geloven. Een rapport waarvan de hoofdconclusie niet collegiaal toetsbaar is heeft geen enkele wetenschappelijke waarde, het is slechts een speculatief opiniestuk.

Dat neemt niet weg dat het een prima stageverslag is voor een HBO student, temeer omdat er nog meer in staat dan alleen de statistische analyse die nu een beetje onder vuur ligt. Er zit ook een mooi stukje filosofische en ethische reflectie in en zelfs de belangen die spelen rond dit vraagstuk heeft zij in kaart gebracht. De stagière heeft terecht een mooi cijfer gekregen voor haar werkstuk over dit complexe vraagstuk, al moet ze op het vlak van competent gebruik van statistiek en het verantwoord formuleren van conclusies nog een en ander leren - maar dat is haar begeleiders aan te rekenen. Het is echter onverstandig om beleidsbeslissingen over toelating van gewasbeschermingsmiddelen op dit stageverslag te baseren.


Dit betekent uiteraard niet dat neonicotinen geen belangrijke rol in het totale complex van factoren kan spelen. De Franse onderzoeker Bonmatin suggereerde een effect (zonder het overigens stellig te noemen), maar juist uit een groot Frans meta-onderzoek over de periode 2002 - 2005 kon geen correlatie worden gevonden.

Cresswell 2010 (http://dx.doi.org/10.1007/s10646-010-0566-0) vond in een meta-onderzoek juist wel een correlatie.

Je moet erg voorzichtig zijn met conclusies trekken uit iets niet vinden. De dronken man die in het donker zijn sleutel verloren was en hem bij de lantarenpaal zocht omdat daar licht was, kon zijn sleutel daar ook niet vinden, waarmee niet is aangetoond dat de sleutel niet bestaat of met een andere zoekmethode niet te vinden zou zijn.

Onderzoek dat iets "niet vindt" toont dus weinig aan. Het kan namelijk ook verkeerd zijn opgezet en de praktijk leert dat hoe meer invloed van de fabrikant (die groot belang heeft bij het op de markt houden van zijn product) er op de onderzoeksopzet is geweest, hoe groter de kans is dat het onderzoek zo is opgezet dat het nooit iets zal vinden dat op schadelijkheid wijst.

Als de VN wapeninspecteurs in de tijd van Saddam alleen daar mochten zoeken waar het regime toestond dat er gezocht werd, is het erg tricky om op basis van het dan niet vinden van weapons of mass destruction de conclusie te trekken dat ze er ook niet waren.

Toch zoekt WUR alleen daar waar het (door de industrie mede bepaalde) toetsingskader toelaat dat we zoeken, naar effecten op bijen. En als dan niets gevonden wordt concludeert WUR met grote stelligheid dat er geen effecten zijn. Op zijn zachtst gezegd naïef, maar in de context van de controverse ronduit misleidend.


Het stopzetten van toepassing in Frankrijk is voorlopig om eerst nog verder onderzoek te kunnen doen.

Dat is precies het voorzorgsprincipe dat volgens de MEDEDELING VAN DE COMMISSIE OVER HET VOORZORGSBEGINSEL (2000) door alle lidstaten moet worden toegepast. Bij twijfel over schadelijkheid gaat het voordeel van de twijfel naar gezondheid en milieu en niet naar de economie. Risicobeperkende maatregelen moeten dan niet uitgesteld tot er zekerheid is, maar direct worden genomen (http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2000:0001:FIN:NL:PDF).

Het is een schande dat het Nederlandse toelatingsbeleid het voorzorgsbeginsel aan haar laars lapt terwijl er zoveel (bestuivingscrisis) op het spel staat. Bestuivende insecten verdienen vanwege hun grote belang voor landbouw, natuur, voedselzekerheid en economie de hoogst mogelijke beschermingsgraad.


Wageningen UR is blij dat EL&I vorig jaar begonnen is met financiering van een 3-jarige studie waarin naast Wageningen ook het Nederlans Centrum voor Bijenonderzoek en de bijensector zijn betrokken om via monitoring en wetenschappelijke evaluatie van de gegevens in Nederland de belangrijkste factoren van de bijenesterfte boven water te halen.

In dat onderzoek is nauwelijks aandacht voor de rol van insecticiden.

Zo is er nog steeds geen onderzoek naar de feitelijk blootstelling van honingbijen, wilde bijen en hommels in Nederland aan neonicotinen. Wat met hoge prioriteit in kaart moet worden gebracht is hoeveel insecticide residu er in stuifmeel, nectar en water zit dat door Nederlandse bijen en hommels wordt verzameld. Zonder die informatie over de werkelijke blootstelling gaat het nog heel lang duren voor we kunnen vaststellen hoe groot de rol van insecticiden precies is in Nederland en is het moeilijk aan te geven welke toepassingen van neonicotinen het meest problematisch zijn voor bijen. Zonder die kennis is een totaal verbod op neonicotinen de enige veilige optie om bestuivende insecten te beschermen.


Wageningen UR beschikt over gecertificeerde laboratoria die onafhankelijk toelatingsonderzoek uitvoeren naar neveneffecten van gewasbeschermingsmiddelen op - onder meer - bijen. Regelmatig worden de onafhankelijkheid, de expertise en de faciliteiten getoetst.

Bijen@WUR heeft inderdaad een GLP certificaat. Het GLP certificaat voor Good Laboratory Practice is echter geen enkele garantie voor goed of onafhankelijk onderzoek en al helemaal geen garantie voor een goede vraagstelling voor het onderzoek. Het schrijft alleen dingen voor zoals dat er goed voorraadbeheer op het lab moet zijn en dat het logboek nauwkeurig moet worden bijgehouden.

Op de GLP standaard is grote kritiek, deze is aardig samengevat op de wikipedia pagina over GLP:
"Critics of industry say that while GLP requirements have slightly improved reliability, safety and efficacy tests still rely entirely on the data of the party with a massive financial interest that their chemical is declared safe enough (or effective, if a pharmaceutical) to use. Specifically, the GLP requirement entirely excludes the published scientific literature from risk assessment, though the latter is far more reliable than industry's data. GLP acts as a shield to exclude relevant data because: 1) regulatory agencies define GLP studies as being the desired quality and so other data is not accepted, and 2) independent academics do not need or like GLP, so they do not use it--they have their own methods of data quality, including peer-review.

The claimed result is that for many years, not one chemical risk assessment performed to approve an agent for commercial use has used independent toxicity data to determine the potency of its chemical--excluding hundreds of thousands of published papers from the assessment. Instead, all such "regulatory" risk assessments use only the toxicity data supplied by the regulated party. Yet the independent literature invariably invalidates the toxicity claims of industry's GLP studies--when the chemical has been on the market long enough to be studied by academia--for example, Myers JP et al. 2009. In short, GLP is alleged to shield industry's safety claims from any independent confirmation"
(http://en.wikipedia.org/wiki/Good_Laboratory_Practice)

Maxim en Van der Sluijs (2007) geven de volgende aanbevelingen voor meer onafhankelijkheid in de kennis die voor risicobeoordeling en beleidsbeslissingen wordt gebruikt:

  • Doe recht aan de diversiteit in de kennisbasis: Neem het hele spectrum aan wetenschappelijke interpretaties en kennis mee, verschuil je niet achter minimum wettelijke eisen van toelatingstests, erken dat nieuwe generaties bestrijdingsmiddelen nieuwe risico's kunnen hebben die met oude toelatingskaders onvoldoende in beeld komen.;
  • Robuustheid van de kennis: neem onzekerheid en kritiek mee in de analyses, syntheses en afwegingen die bij de toelating worden gemaakt;
  • Stel kwaliteitsanalyse centraal: ontwikkel een taal om beperkingen in de kwaliteit helder en transparant te communiceren;
  • Gebruik de informatie afkomstig van andere dan wetenschappelijke bronnen (bijvoorbeeld van imkers) maar toets deze en wees helder over de status van deze informatie;
  • Verhelder de waarden die een rol spelen in het onderzoek en in de politieke context waarbinnen risico-onderzoek is ingekaderd.
  • Vermijd "verlamming door onderzoek": neem als er wetenschappelijke aanwijzigen zijn van schadelijkheid nu al maatregelen om mogelijk ernstige risico's te beperken ook al is er nog geen onomstotelijk wetenschappelijk bewijs.

http://www.bijensterfte.nl/sites/default/files/maxim_and_vanderSluijs2007.pdf


Met nauwkeurig - in wettelijk protocollen, vastgelegde methodieken wordt onderzocht of de middelen veilig zijn voor de bijen. Daarbij is het zo geregeld dat niet de Nederlandse maatschappij, maar de betrokken bedrijven de kosten van het onderzoek moet dragen.

Zoals eerder aangegeven zijn die protocollen hopeloos verouderd en niet toereikend voor de nieuwe insecticiden (http://internetconsultatie.nl/gewasbeschermingsmiddelenen_biociden/reactie/56/bestand).


Op de uitkomst van dit onderzoek hebben de bedrijven die een gewasbeschermingsmiddel willen laten toetsen geen invloed en de rapporten worden overhandigd aan het College Toelating Bestrijdingsmiddelen. Daarnaast voert Wageningen UR onderzoek uit in gemeenschappelijke projecten met overheden en bedrijven. Zorgvuldige protocollen en afspraken zorgen ervoor dat de wetenschappelijke integriteit van het onderzoek wordt gegarandeerd. Het gaat in het merendeel van de gevallen om grote meerjarige onderzoeksprojecten die inzicht pogen te verschaffen in allerlei onderliggende mechanismen van complexe vragen. Als het gaat om Wageningse bijdragen aan het toelatingsonderzoek voor bestrijdingsmiddelen kan niet genoeg worden benadrukt dat de bedrijven die het onderzoek aanvragen geen invloed hebben op de uitkomst van dat onderzoek.

De invloed van de fabrikant op de uitkomst van het toelatingsonderzoek werkt op een andere manier. De fabrikanten hebben namelijk grote invloed op de toelatingsprotocollen en de voorgeschreven proefopzet voor de toelatingstests en daarmee op de vraagstelling en op de aspecten die wel en niet onderzocht worden.

Dit blijkt ondermeer uit het rapport "Is the future of bees in the hands of the pesticides lobby?" Dat rapport werd oktober 2010 gepubliceerd door European Beekeeping Coordination en Corporate Europe Observatory. Hierin wordt duidelijk op welke manier ook de EU 'expertise' betrekt over bijen, met als doel de pesticidenrichtlijnen aan te passen. De Europese Commissie zelf zegt geen enkele bijenexpert te hebben. In de werkgroepen 'experts' die aanbevelingen doen voor beleid zitten uiteindelijk mensen van Bayer en BASF. De conclusies van die werkgroep zijn voorspelbaar: zij dienen meer het belang van de industrie dan het belang van het ecosysteem. De werkgroepen concludeerden namelijk dat het niet nodig is om de chronische blootstelling van bijen aan pesticiden te onderzoeken. Dit is precies het geval bij insecticiden die via zaad-coating in de hele plant worden opgenomen. De link naar het rapport is http://bee-life.eu/medias/news/future-of-bees.pdf

De fabrikant bepaalt zo uiteindelijk toch de vraagstelling van het onderzoek en draagt vaak ook nog eens "in kind" bij aan dat onderzoek. De vraagstelling is een factor die een zeer grote invloed heeft op de uitkomst van onderzoek doordat daarmee bepaald kan worden welke factoren buiten beeld blijven in een onderzoek. In bovengenoemd voorbeeld blijkt dat chronische blootstelling buiten de onderzoeksvraag is gehouden, terwijl daar juist het probleem ligt van de neonicotine insecticiden voor de vitaliteit van bijenvolken. De aard van de "in kind" bijdrage heeft de fabrikant ook volledig in de hand.

De invloed van de agrochemische industrie op de testprotocollen waarvan de uitkomst doorslaggevend is voor de vraag of hun producten op de markt mogen komen of op de markt mogen blijven is Wageningen niet aan te rekenen. Wel is het opmerkelijk dat Wageningen deze tests klakkeloos uitvoert zonder daar kritische kanttekeningen bij te plaatsen ook al kent zij de kritiek van talloze wetenschappers op de grote tekortkomingen van dat toelatingskader.

In de Zembla uitzending vertelde Bonmatin dat hij aanvankelijk nauw samen werkte met Bayer. Toen de resultaten van zijn onderzoek ongunstig waren voor Bayer omdat hij meer onderzocht dan noodzakelijk was volgens het toelatingsprotocol werd hij onder grote druk gezet. Bayer dreigde hem zelfs met een proces omdat de bevindingen van zijn onderzoek een Bayer-product in diskrediet zouden brengen.
Bonmatin is niet gezwicht voor de druk van Bayer.

Dat is in Frankrijk makkelijker omdat onderzoekers van onderzoeksinstituten zoals CNRS (het grootste onafhankelijke wetenschappelijke onderzoeksinstituut van Frankrijk, waar Bonmatin werkt) een baan voor het leven hebben (net als rechters) en niet afhankelijk zijn gemaakt van inkomsten van commerciële opdrachtgevers. In Nederland zijn alle Universiteiten dat inmiddels wel, waardoor weerstand bieden aan druk van de fabrikant gevaarlijk is voor de inkomsten van je onderzoeksgroep.

Een andere onderzoeker die bij INRA (Institut National de la Recherche Agronomique) onderzoek deed naar de gevolgen van imidacloprid op de gezondheid van bijen werd onder druk van Bayer van het onderzoek afgehaald en overgeplaatst naar de afdeling bijenziekten en moest aan varroa gaan werken, zo vertelt hij in de Franse documentaire Bee-Stroyed. Zijn baas bevestigt dat verhaal in dezelfde documentaire.

 

Reacties  

 
0 #1 w.a.j. van de sanden 17-03-2011 15:55
zie mijn post over bijensterfte Bleker's blunders II weg met groente en fruit: http://willemvandesanden.wordpress.com/
Citeer
 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen