Home

Bijensterfte complexer dan imidacloprid

Een nostalgische stolpboerderij in Tersoal, een dorpje met niet meer dan 350 inwoners, midden in het Friese weidegebied De Lege Geaën. Het decor is niet direct de meeste voor de hand liggende locatie waar je het Nederlands Centrum voor Bijenonderzoek (NCB) verwacht. ‘Ik zit echter graag in het agrarisch gebied’, vertelt Romée van der Zee, zittend aan een tafel in de voorkamer van de boerderij. Van der Zee coördineert op deze plek samen met Hayo Velthuis en Marleen Boerjan het bijenonderzoek. ‘De veehouders hier hebben bijvoorbeeld meer overeenkomsten met het houden van bijen dan zij wellicht denken.’

Romee
Het Friese dorpje is wel een van de schakels in een netwerk van circa 150 bijenonderzoekers over de hele wereld, zegt Van der Zee, wijzend naar haar computer op het bureau. Het internet verbindt. ‘Ik heb net nog met collega’s uit Frankrijk en Finland zitten overleggen. Hierdoor is het niet nodig met veel collega-wetenschappers in een kantoor op een groot brainpark te zitten’, vertelt de Friezin. ‘We weten precies wat er in de bijenhouderij gebeurd.’
Van der Zee is nationaal en internationaal een autoriteit in het bijenonderzoek. Sinds 2002 houdt zij in Nederland een bijenmonitor bij. Op basis van de informatie van de imkers kan zij de ontwikkeling van de bijenpopulatie precies volgen. Ook doet zij onderzoek naar virussen bij de bijen, waarvoor meer dan 16.000 bepalingen worden gedaan. ‘We proberen indicatoren te herkennen van bijensterfte en hoe deze op elkaar inwerken. En dat zijn er nogal wat’
Voor het bijenonderzoek, waarbij de NCB samenwerkt met Wageningen UR, zit de wetenschapper  vaak in het buitenland. Van der Zee is voorzitter van een internationale werkgroep Monitoring & Diagnosis. Deze groep specialisten werkt aan mondiale protocollen voor vergelijkbaar maken van onderzoeksresultaten om zo sneller achter de oorzaken van bijensterfte te komen. ‘Voor het onderzoek naar het verloop van de bijenpopulatie hanteren de landen nu hun eigen methoden’, schetst Van der Zee. ‘Dit maakt het moeilijk om de informatie wetenschappelijk met elkaar te vergelijken. Goede protocollen maken de gegevens een vergelijkbaar en dus ook betrouwbaar.’
Het goed monitoren is van onschatbare waarde, benadrukt Van der Zee. Van belang is dat imkers zo uniform mogelijk de ontwikkeling van hun bijenvolken bijhouden. ‘Dus goed kijken naar de sterfte, in welke mate dit optreedt en welke indicatoren tot deze sterfte hebben geleid.’ Hiervoor worden dode bijen ook onderzocht om de mogelijke oorzaken van de sterfte te kunnen achterhalen. ‘We moeten de oorzaak objectief benoemen. Lang niet elke imker trekt op basis van zijn eigen waarneming de juiste conclusies. Hierdoor kunnen we de gegevens met elkaar vergelijken en beter de oorzaak en achtergronden van de sterfte benoemen.’
Bijensterfte erg hoog
Dat is nodig, want de laatste jaren loopt de populatie bijen in Nederland achteruit met gemiddeld 20 procent. De blik op de bijenmonitor laat zien dat in 2006 de bijensterfte erg hoog lag met percentages in veel provincies van wel 17 tot 42 procent. In 2007 lagen deze percentages echter een stuk lager: tussen de 14 en de 27 procent. De laatste twee jaar zijn de sterftecijfers echter met percentages tussen de 20 en 50 procent weer hoog. ‘Helaas zorgwekkend hoog’, benadrukt Van der Zee.
Ook wereldwijd lopen de bijenvolken terug, waardoor en nationaal en internationaal inmiddels de alarmbel heeft geklonken. In Nederland heeft dit deze zomer geleid tot een campagne van natuurbeschermingsorganisaties, imkers en een Utrechtse wetenschapper tegen de insecticide imidacloprid. Zij sturen met een petitie aan op een verbod van het middel en hebben hiervoor inmiddels 40.000 handtekeningen verzameld. Landbouwminister Gerda Verburg heeft te kennen gegeven dat van een eventueel verbod pas sprake kan zijn als de relatie tussen de sterfte en het middel overtuigend is bewezen.
Van der Zee wordt en is al vaak naar haar mening gevraagd in deze discussie. Zij is zeer terughoudend in haar reactie, daarvoor is het probleem van de bijensterfte in haar ogen te complex. Niet alleen is het niet aantoonbaar bewezen dat imidacloprid bijenvolken compleet kan uitroeien, maar ook spelen diverse andere factoren in het teruglopen van de populatie een rol. ‘Ik ben daar diverse belangengroepen naar mijn mening over imidacloprid gevraagd, maar het is als wetenschapper niet aan mij om beslissingen te nemen, maar wel om gedegen onderzoek te doen en wat betreft imidacloprid doe ik dat ook, samen met andere onderzoekers.’
Juiste conclusies trekken
Haar grootste ergernis is wel dat er geregeld verhalen in de media opduiken van onderzoekers die de oorzaak van de bijensterfte denken te hebben achterhaald. ‘Lang niet altijd trekken de journalisten in deze artikelen de juiste conclusies. Pas is weer een onderzoek uit de Verenigde Staten gepresenteerd waaruit blijkt dat toch de varoamijt de oorzaak zou zijn van de mondiale bijensterfte. Dat heb ik echter nergens in dat onderzoek gelezen.’
Ook een onderzoek uit India dat zendmasten de oriëntatie van de bij verstoren en daardoor leiden tot de sterfte, is volgens haar volkomen ten onrechte een eigen leven gaan leiden. ‘In 2005 lag de bijensterfte in het bewuste gebied op 28 procent, het jaar erop op 15 procent. Zijn de mensen dan plots minder tv gaan kijken en hebben ze minder gebeld?’, stelt Van der Zee met een glimlach een retorische vraag. Dan weer serieus: ‘Niet uit te sluiten valt dat bijen dicht bij de zendmest er gevoelig voor zijn. Bewezen is het allerminst.’
Van der Zee doet met enkele imkers onderzoek in Nederland naar de relatie tussen de bijensterfte en de concentratie van imidacloprid in een gebied. Dit onderzoek is echter nog niet afgerond, waardoor Van der Zee nog niets over de uitkomsten kan vertellen. ‘Imidacloprid is in ieder geval niet de enige oorzaak van de bijensterfte’, nuanceert zij. ‘Ook in gebieden waar het middel niet voorkomt, sterven bijen.’
Complex van factoren
Aan de bijensterfte ligt volgens haar een complex van veelal plaatselijke factoren ten grondslag. ‘Veelal is er een primaire oorzaak die de bijen zwakker maakt en vervolgens krijgen andere ziekte verwekkers hun kansen, zoals een virus, wat resulteert in de sterfte’, vertelt Van der Zee.
Naast imidacloprid zijn de varoamijt en de parasiet Nosema ceranae twee andere belangrijke oorzaken van de bijensterfte. Op zichzelf zijn deze parasieten volgens Van der Zee niet in staat om zo snel een bevolking te laten uitsterven, maar in combinatie met aanwezige virussen als ‘versnellers’ kan de afweer van een bij snel afbrokkelen. ‘De varoamijt en Nosema ceranae tasten de afweer van de bij aan. Daardoor zijn zij extra gevoelig voor virussen, wat de sterfte kan versnellen.’
Die gevoeligheid voor de parasieten staat niet op zich, maar vloeit volgens Van der Zee ook voort uit de eenzijdige selectie van de imkers wereldwijd in de bijenvolken. ‘Een vergelijkbaar verschijnsel als bij de runderfokkerij, waar een beperkte groep stieren voor de nakomelingen zorgt. In bijen is de genetische variatie wereldwijd ook afgenomen, waardoor er nu nog maar een hele kleine groep bijenrassen is’, schetst Van der Zee. Zo zijn in bijvoorbeeld een groot land als Duitsland nog 276 Koninginnensoorten over voor het ‘fokken’ van de populaties.
De ontstane beperkte genencombinatie bij de bijen heeft hen extra vatbaar gemaakt voor nieuwe ziekteverwekkers, stelt Van der Zee. Zij pleit voor een andere benadering in de vermeerdering en bijen weer meer via natuurlijke selectie met andere volken te kruisen. Makkelijk is dat echter niet, geeft de onderzoeker aan. ‘De imkers selecteren en kruisen nu met name op productie, minder op genetische variatie. Zij zijn moeilijk te overtuigen dat het roer echt om moet.’
Ook de afgenomen drachtmogelijkheden speelt de bij parten. De groeiende verstedelijking en het verminderen van de diversiteit in de landbouw beperken de mogelijkheden voor de bijen om zich te voeden en te bestuiven. Van der Zee wijst in bijvoorbeeld op het veelvuldig maaien van het gras door de voederwinning, meer dan in het verleden, waardoor de plantengroei voor bestuiving in de wei erg beperkt is. ‘Een proteïnetekort kunnen bijen niet aan. Dat maakt hen zwakker.’
Provincie geen indicatie
Een blik op de Nederlandse monitor van de bijensterfte laat over de afgelopen vier jaar zien dat het wegvallen van de kolonies per provincie kan verschillen. ‘Maar de provincie is geen indicator van de bijensterfte’, benadrukt Van der Zee. ‘De locale omstandigheden zijn de bepalende factoren, niet getekende grenzen. Daarbij moet eerst goed worden onderzocht per gebied en per imker wat er aan de hand is geweest.’
De intensieve monitoring laat echter zien dat in een gebied de sterftecijfers bij imkers sterk kunnen verschillen. Bijvoorbeeld in Zuid-Holland onder de spreekwoordelijke rook van Rotterdam. Uit het onderzoek komt naar voren dat de ene imker in 2007 zijn volken gezond houdt, terwijl de andere zijn volk verliest. In het jaar erop is het net andersom. ‘Waarschijnlijk heeft de imker zijn volk ververst en blijven deze bijen in het eerste jaar gezond. In het tweede treedt dan de sterfte op’, vermoedt Van der Zee. ‘Een analyse van de monsters en de omgevingsfactoren moet dit kunnen verklaren. Een belangrijke vraag daarbij is hoe de bijen wel het eerste jaar overleven, terwijl er de omstandigheden klaarblijkelijk toch ongunstig zijn.’
Daarna wijst ze naar een gebied in het zuiden van Drenthe. Hier blijkt dat de ene imker structureel wel te kampen heeft met sterfte in zijn kolonie, terwijl een andere naburige collega’s zijn bijen gezond weet te houden. ‘Maar bij de ene imker staan maïsvelden in de buurt’, vertelt Van der Zee. ‘Dit kan duiden op een effect van imidacloprid.’
Hoewel Van der Zee benadrukt dat het niet aan haar is om politieke beslissingen te nemen, hoopt zij wel dat de bijensterfte veel meer op de samenhang van factoren wordt bekeken dan enkel de discussie over het wel of niet verbieden van imidacloprid.
Betere omgang
De afweer van de bij verbeteren met het bestrijden van parasieten als de varoamijt en Nosema ceranae en van de virussen moet niet uit het oog worden verloren. ‘Het zou goed zijn als alle betrokkenen partijen, zoals imkers en de boeren en tuinders beter met elkaar zouden omgaan. Bijvoorbeeld in het verbeteren van de drachtmogelijkheden voor de bijen door het laten groeien van bestuivers actief te bevorderen.’
Daarbij hoopt de wetenschapper dat de boeren meer begrip voor de problemen in de bijenhouderij kunnen opbrengen. ‘De problemen van imkers zijn niet zo verschillend als die zij zelf hebben. Er moeten maatregelen komen die in ieders vermogen liggen om de bijensterfte tegen te gaan. Dat is ook van belang voor de boeren in de voedselproductie.’
Van der Zee is persoonlijk een voorstander van een waarnemingssysteem, waarbij per regio nauwlettend in de gaten wordt gehouden hoe de concentraties imidacloprid in relatie tot de bijensterfte zich ontwikkelen. ‘Als in een gebied de relatie tussen de bijensterfte en de aanwezigheid van imidacloprid kan worden aangetoond, is het een optie om het middel uit voorzorg in dit gebied te verbieden.’

Zij beseft echter dat dit politiek gevoelig is, omdat bij een regionaal verbod sprake kan zijn van een concurrentienadeel voor de betrokken telers. ‘We weten nu nog niet precies wat er aan de hand is’, stelt Van der Zee, ‘maar als we iets vinden, ligt de weg tot verbetering geplaveid met politieke discussies.’

 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen